Op het moment dat ik de eerste zinnen van deze column schrijf (Amsterdam, zondag 22 mei 2016, 19.48) weet ik exact waar ik exact twintig jaar geleden op exact hetzelfde tijdstip was. In Amsterdam, op het Leidseplein. In Café De Leydse Herberg. Dezelfde plek waar mijn gabber Jesse en ik een jaar eerder Ajax de Champions League-finale tegen AC Milan zagen winnen. Die plek bracht geluk. Zoveel was zeker, redeneerden wij. We hadden dezelfde shirts aan als het jaar daarvoor en we zaten zelfs ongeveer op dezelfde plek, in de uitbouw. Wij zijn overigens totaal niet bijgelovig. Dat u niet denkt dat wij Malle Eppie en Gekke Henkie zijn.  

sjaalEr was één dingetje anders. We hadden inmiddels allebei een vriendin en in al onze wijsheid en verliefdheid hadden we besloten om de dames mee te nemen naar deze, voor ons, zo belangrijke avond. Evenals het jaar daarvoor was de spanning ondraaglijk en dat gevoel probeerden we weg te nemen met veel bier en nog meer sigaretten.

De rest is geschiedenis. Het grote Ajax uit het midden van de jaren negentig was die avond niet eens een vage schim van de ploeg die precies een half jaar eerder nog genadeloos paella maakte van Real Madrid. In hun eigen keuken. De voetbalmachine van Louis van Gaal begon ernstige haarscheurtjes te vertonen. Ajax speelde als een natte tosti.

Dat het na negentig minuten en verlenging nog steeds 1-1 stond, was niets minder dan een mirakel. Ajax leek wel een beetje op de bijnaam van Juventus in die wedstrijd: ze speelden als oude dames. Maar het wonder van Rome geschiedde: Ajax haalde de penaltyserie. Een loterij, om er maar eens een draak van een cliché uit te gooien.

Edgar Davids miste de eerste. We zagen het lijk al drijven. Ajax moest nu achter de feiten aan lopen. Godverdomme. Edwin van der Sar had destijds nog min of meer dezelfde status als die Jasper Cillessen tegenwoordig heeft: goede keeper, maar bepaald geen penaltymoordenaar. De Italianen schoten ze allemaal binnen. Sonny Silooy was onze laatste hoop. Onzekere aanloop. Gebogen koppie. Mis. Uitgerekend hij. Onze Sonny. Een van onze culthelden, toen dat nog niet eens zo heette.

Ajax verloor. Niet veel later zat ik huilend in de tram naar huis. De troostende woorden en de kusjes in mijn nek van mijn aanstaande ex hielpen niet. Ik was ontroostbaar. Een in stukken gebroken jongeman van negentien jaar. Ik voelde pijn. Een voor mijn vriendin niet te definiëren, maar voor mij onuitstaanbare pijn. Inmiddels ben ik negenendertig, ben ik een relativerende man en heb ik het nodige eelt op mijn supportersziel. Maar op die avond leek een wortelkanaalbehandeling van een tandarts die op de achtergrond keihard ‘The Greatest Hits Of Gerard Joling’ op had staan me een stuk minder pijnlijk. Ik haatte het leven, voor even, hoe lief mijn vriendinnetje ook voor me was.

En hoewel ik mijzelf als een redelijk denkend mens zie en (zoals ik al eerder in de column schreef) absoluut niet bijgelovig ben (ik ben toch niet gek!) weet ik het twintig jaar later toch nog steeds zeker: we hadden alles hetzelfde moeten houden als het jaar daarvoor.

Jesse. Ik. Zelfde kroeg. Zelfde shirts. Zelfde plek. Zuipend. Rokend.

En we hadden het verkloot. Wij twee.

We hadden, om het in mooi Amsterdams te zeggen, de nieges afgeroepen over deze wedstrijd door een stom detail: we hadden die wijven nooit mee moeten nemen.

DSCF0048Sorry, Ajax. Het lag echt niet aan jullie ronduit belabberde spel die avond. En het lag ook echt niet aan de doping van Juventus, waardoor die Italianen met pupillen zo groot als die cirkel in de Japanse vlag maar bleven rennen. Neen, niets van dat alles. Het was onze schuld. En niets minder dan dat. Ik durf het twintig jaar na dato eindelijk toe te geven. Een loden last is zojuist van mijn schouders gevallen.

Mea culpa. Sorry, Ajax.

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on LinkedInShare on Google+Pin on PinterestEmail this to someone

Tags

 
 

HOME   •   OVER   •   BIO'S   •   CONTACT

Laatste bijdragen

Archief

 
микрозаймы онлайн займы в барнауле до зарплаты микрозаймы в ставрополе срочно займ на карту